Vrijstelling van schoolbezoek

Afkomstig uit de Methodische aanpak schoolverzuim (MAS)

 

De Leerplichtwet kent gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek op grond van artikel 11 Lpw 1969, indien: 

  1. de school onderscheidenlijk de instelling is gesloten of het onderwijs is geschorst (bijv. vakanties)
  2. bij of op grond van algemeen verbindende voorschriften is het bezoeken van de school onderscheidenlijk de instelling verboden (bijv. bij calamiteiten);
  3. de jongere is bij wijze van tuchtmaatregel tijdelijk de toegang tot de school onderscheidenlijk de instelling ontzegd (bijv. schorsing);
  4. de jongere is wegens ziekte verhinderd de school onderscheidenlijk de instelling te bezoeken;
  5. de jongere is wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging verhinderd de school onderscheidenlijk de instelling te bezoeken;
  6. de jongere kan vanwege de specifieke aard van het beroep van één van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen (degene die het gezag over de jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast) slechts buiten de schoolvakanties met hen op vakantie gaan;
  7. de jongere is door andere gewichtige omstandigheden verhinderd de school onderscheidenlijk de instelling te bezoeken.

 

Vrijstelling vanwege ziekte

Op grond van artikel 11 d Lpw 1969 is een kind dat ziek is, vrijgesteld van schoolbezoek.

In Nederland heb je het recht om ziek te zijn. De wetgever heeft daar in de leerplichtwet rekening mee gehouden. Controle of een kind daadwerkelijk ziek is, is dan ook niet nodig en is niet de taak van de school of de leerplichtambtenaar. Een mededeling is voldoende (artikel 12 Lpw 1969: een bericht binnen twee dagen na het ontstaan van de verhindering).

Doet de leerplichtige of zijn ouder dat niet, dan verschuift de bewijslast: degene die zich beroept op de verhindering moet dan bewijzen dat hij door ziekte verhinderd was deel te nemen aan het onderwijs. De school heeft echter een zorgplicht die ook geldt voor zieke leerlingen. Daarom is het zaak dat de school zich hierin actief opstelt.

Bij ziekteverzuim kan de schoolgang en daarmee het onderwijs in gevaar komen. Het is van belang ziekteverzuim gezamenlijk aan te pakken. Bij de aanpak van ziekteverzuim is een rol weggelegd voor de jeugdarts, de school en leerplichtambtenaar. In het geval van zorgwekkend ziekteverzuim wordt gehandeld volgens de methodiek M@ZL of een andere effectieve interventie.

De school is dus de eerste instantie die in gesprek gaat met leerling/ouders over het ziekteverzuim. Daarna komt de jeugdarts in beeld. Als leerling/ouders niet willen meewerken aan het inwinnen van advies bij de jeugdarts, het advies van de jeugdarts niet willen opvolgen of als een advies van de jeugdarts niet leidt tot stoppen van het verzuim dan kan de school de jongere en zijn ouders opdracht geven duidelijkheid te verschaffen in de oorzaken van het ziekteverzuim (de omkering van de bewijslast ex art 12 LPW69).

Weigert een jongere of zijn ouders de medewerking en houdt het verzuim niet op, dan weet de school dat een melding van ongeoorloofd verzuim op zijn plaats is.

 

Vrijstelling vanwege plichten in verband met godsdienst of levensovertuiging

Op grond van artikel 11e Lpw is in bepaalde gevallen vrijstelling van schoolbezoek vanwege godsdienst of levensovertuiging mogelijk.

In artikel 6 van de Grondwet wordt gesteld dat eenieder recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.In de Leerplichtwet heeft dit grondrecht zijn vertaling gekregen in artikel 11 aanhef sub e in verband met artikel 13 en 13b.Het grondrecht heeft de vorm van een beroep op vrijstelling van de verplichting op grond van de Leerplichtwet. De vrijstelling is bedoeld om plichten voortvloeiend uit religie of levensovertuiging te kunnen vervullen. De vrijstelling geldt voor één dag, namelijk de dag waarop de plicht vervuld moet worden.

Indien er vanuit de religie of levensovertuiging een bandbreedte bestaat van meerdere dagen waarbinnen de plicht vervuld kan worden, dan dient dit zo mogelijk op een niet-schooldag gedaan te worden.

Daarbij is een reisdag voorafgaand of na het vervullen van de plicht in het buitenland geen geldige reden voor een beroep op vrijstelling in verband met gewichtige omstandigheden.  De verplichting kan in beginsel immers ook in Nederland worden uitgevoerd.

Een beroep op vrijstelling wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging kan slechts worden gedaan indien daarvan uiterlijk twee dagen vóór de verhindering aan het hoofd kennis is gegeven.

De onderwijswetgeving biedt aan scholen ruimte om álle leerlingen klassikaal vrij te geven, of op de betreffende dag bijv. een studiedag in te lassen. Zo’n besluit geldt dan voor álle leerlingen van de school en dus niet alleen voor de groep leerlingen die een religieuze plicht vervult.

In geval van bijzondere omstandigheden biedt artikel 8 van de Regeling vaststelling schoolvakanties 2016-2019 de mogelijkheid aan scholen om bij de minister een verzoek in te dienen om te mogen afwijken van de data van centraal vastgestelde vakanties.

Religieuze feestdagen

Volgens de leerplichtwet dient een vrijstelling van geregeld schoolbezoek op religieuze gronden, beschouwd te worden als een kennisgeving van de ouder(s)/verzorger(s) aan de directeur van de school.
Er is dus geen sprake van het al of niet verlenen van verlof door de directeur of leerplichtambtenaar, een kennisgeving (in de vorm van bijv. een mededeling) volstaat.

Voorbeelden van religieuze verplichtingen zijn:
Chinees Nieuwjaar; Offerfeest; Suikerfeest; Holifeest; Diwalifeest; Krishna Janamashtmi; Navratri (alleen de laatste dag); Maha Shivratri; Biddag voor gewas en arbeid; Dankdag voor gewas en arbeid; Aswoensdag; Paasfeest (Pesach); Wekenfeest (Sjawoe’ot); Joods Nieuwjaar (Rosh Hasjana); Grote verzoendag (Jom Kipoer); Loofhuttenfeest (Soekot) Slotfeest (Sjemini Atseret); Vreugde der Wet (Simchat Tora)

Carnaval is geen religieuze verplichting.

De exacte data van de Islamitische verplichtingen zijn pas kort voor de viering bekend en verschillen per land, dit in verband met de stand van de maan.

 

Vrijstelling vanwege vakantie buiten de schoolvakanties vanwege beroep van één van de ouders

Op grond van artikel 11f Lpw is om buiten de schoolvakanties op vakantie te gaan vanwege het specifieke beroep van één van de ouders, eenmaal vrijstelling van geregeld schoolbezoek mogelijk voor ten hoogste tien dagen per schooljaar.

Dit verlof kan geen betrekking hebben op de eerste twee lesweken van het jaar. Voor een kwalificatieplichtige jongere kan slechts verlof worden verleend voor een evenredig deel van het aantal dagen dat deze verplicht is onderwijs te volgen. Het hoofd van de school of instelling kan hiervoor verlof verlenen.

Bij het begrip ‘specifieke aard van het beroep’ bedoeld in artikel 11, onderdeel f, van de Leerplichtwet dient voornamelijk te worden gedacht aan seizoensgebonden werkzaamheden, resp. werkzaamheden in bedrijfstakken die een piekdrukte kennen, waardoor het voor het gezin feitelijk onmogelijk is om in die periode een vakantie op te nemen. Het moet redelijkerwijs te voorzien zijn (en/of worden aangetoond) dat een vakantie in de schoolvakanties tot onoverkomelijke bedrijfseconomische problemen zal leiden. Slechts het gegeven dat gedurende de schoolvakanties een belangrijk deel van de omzet wordt behaald is onvoldoende.

 

Bijzonder verlof

Op grond van artikel 11, onderdeel g, en artikel 14 van de Leerplichtwet zijn in bepaalde situaties bijzondere vormen van verlof toegestaan voor maximaal tien dagen per schooljaar. Het gaat hier om zogenaamde ‘andere gewichtige omstandigheden’.

Dit zijn omstandigheden die niet eerder in de limitatieve opsomming van artikel 11 van de Leerplichtwet zijn genoemd en die veelal ‘buiten de wil of invloedsfeer’ van de ouders of leerling zijn gelegen. Het hoofd van de school of instelling kan verlof verlenen voor afwezigheid als gevolg van een dergelijke andere gewichtige omstandigheid.

In de hierna te noemen gevallen kan, zolang het totaal aan een jongere te verlenen verlof het aantal van 10 verlofdagen in een schooljaar niet te boven gaat, verlof worden gegeven voor de hierna genoemde periode: 

  • voor verhuizing: maximaal 1 schooldag;
  • voor het voldoen aan wettelijke verplichtingen, voor zover dit niet buiten de lesuren kan geschieden: maximaal 10 dagen;
  • voor het bijwonen van het huwelijk van bloed- of aanverwant tot en met de 3e graad: in Nederland maximaal 2 schooldagen indien er ver gereisd moet worden, anders maximaal 1 dag, in het buitenland maximaal 5 schooldagen.

Soort bewijs: trouwkaart (indien twijfelachtig kopie trouwakte);

  • bij ernstige levensbedreigende ziekte zonder uitzicht op herstel van bloed- of aanverwant tot en met de 3e graad: maximaal 10 dagen.

Soort bewijs: doktersverklaring waar ernstige ziekte uit blijkt;

  • bij overlijden van bloed- of aanverwant:
  • In de 1e graad maximaal 5 schooldagen;
  • In de 2e graad maximaal 2 schooldagen;
  • In de 3e en de 4e graad maximaal 1 schooldag;
  • In het buitenland: 1e t/m 4e graad maximaal 5 schooldagen.

Soort bewijs: rouwkaart (indien twijfelachtig akte van overlijden);

  • bij 25, 40 of 50 jarig ambtsjubileum en het 12 ½, 25, 40, 50 en 60 jarig huwelijksjubileum van ouder(s)/verzorger(s) of grootouders: maximaal 1 schooldag;
  • voor andere naar het oordeel van het hoofd van de school/instelling gewichtige omstandigheden: maximaal 10 dagen.

Daarbij geldt het volgende: 

  • verlofaanvragen dienen schriftelijk en binnen een redelijke termijn bij het hoofd van de school/instelling te worden ingediend. Indien de aanvraag niet binnen een redelijke termijn is ingediend, moet door de aanvrager worden beargumenteerd waarom dit niet is gebeurd;
  • er kunnen voorwaarden gesteld worden aan het toekennen van verlof, bijvoorbeeld het achteraf tonen van bepaalde bescheiden;
  • de toestemming of afwijzing moet schriftelijk worden vastgelegd en in geval van afwijzing goed worden gemotiveerd door het hoofd van de school/instelling;
  • verlof moet altijd zo kort mogelijk worden gehouden;
  • alle aanvragen dienen, voor zover in redelijkerwijze mogelijk, te worden vergezeld van bewijsmiddelen;
  • verlof vanwege gewichtige omstandigheden kan ook worden toegekend in de eerste twee weken na de zomervakantie, hier moet echter terughoudend mee worden omgegaan. 

In de volgende gevallen wordt in ieder geval geen extra verlof gegeven: 

  • familiebezoek in het buitenland;
  • goedkope tickets in het laagseizoen;
  • omdat tickets al gekocht zijn of omdat er geen tickets meer zijn in de vakantieperiode;
  • vakantiespreiding;
  • verlof voor een kind, omdat andere kinderen uit het gezin al of nog vrij zijn;
  • eerder vertrek of latere terugkomst in verband met verkeersdrukte;
  • samen reizen/in konvooi rijden door bijvoorbeeld de Balkan;
  • kroonjaren;
  • sabbatical;
  • wereldreis/verre reis. 

Wereldreizen

Aanvragen voor langdurig verlof in verband met een wereldreis of sabbatical kunnen op grond van de Leerplichtwet en de Beleidsregel uitleg ‘specifieke aard van het beroep’ en ‘andere gewichtige omstandigheden’ bedoeld in de Leerplichtwet 1969 niet worden toegekend.

In de rechtspraak is uitgemaakt dat er geen sprake is van “gewichtige redenen”. In deze situaties dient dus proces-verbaal opgemaakt te worden en zal het OM vervolgen.

Indien ouders voor langere tijd in het buitenland verblijven, kunnen zij de leerling wel uitschrijven bij school en inschrijven bij een school in het buitenland (niet zijnde een wereldschool).Zij zijn dan niet in overtreding. Er dient daarbij een verklaring van het hoofd van de betreffende school overgelegd te worden dat de leerling is ingeschreven en de school in het buitenland daadwerkelijk bezoekt.